Ehsan

In september 2000 werd ik door een docent Nederlands, die les gaf aan alleenstaande minderjarige asielzoekers (ama’s) op het LOVA, onderdeel van het Da Vinci College in Leiden, gevraagd om de lessen beeldend te geven. De groep ama’s bestond uit jonge mensen vanuit de hele wereld, o.a. Congo, Sierra Leone, China, Irak, Afghanistan en Rusland. Deze jongeren spraken allemaal een andere taal en kregen op de school, die naast het opvangcentrum was gelegen, les in Nederlands, rekenen, verzorging, aardrijkskunde, maatschappijleer en muziek en tekenen. Mijn taak was om de ama’s  een fijne, creatieve tijd te geven op school, waarbij ze vaardigheden konden leren maar zich ook zouden kunnen uiten. Omdat zij de Nederlandse taal nog niet machtig waren moest ik met handen, voeten en beelden uitleggen wat de bedoeling was wanneer ik een opdracht gaf.

Op een dag gingen we modeltekenen. We zaten in een grote kring aan tafels in de kantine. Een persoon ging in het midden op een stoel zitten. Iedereen kreeg papier, potlood en gum. Ik legde met gebaren uit waar op gelet moest worden en we gingen aan de slag. Ik liep rond en gaf advies. Het viel me op hoe anders deze mensen waarnamen. Sommigen tekenden koppoters zoals kleuters. Maar er zaten ook heel verrassend goede tekenaars tussen. Ze vroegen mij of ik voor kon doen hoe je model moest tekenen en kwamen in een kring om me heen staan. Ik liet zien hoe ik een opzet maakte, op A-4 formaat met grafietstift. Zij waren diep onder de indruk en plotseling wilden ze allemaal model zitten.

Zo begon ik met het maken van kleine individuele portretjes. Eerst nog snel en schetsmatig, vaak zittend op een stoel of tafel. Later ben ik me meer gaan toeleggen op het tekenen van alleen de gezichten. Dan kwamen ze in de les en vroeg ik wie geportretteerd wilde worden. Ik had een klein tafeltje dat ik schuin of rechtop kon zetten en we installeerden ons in een hoek van het lokaal. Ondertussen werkten de andere jongeren aan hun opdrachten.

Wat opviel tijdens het tekenen was de sfeer die ontstond in het lokaal maar ook de interactie tussen mij en het model. Ze keken mij meestal vol vertrouwen recht in de ogen. En het leek alsof ik niet alleen hun gezicht tekende maar een stukje inzicht kreeg in de persoonlijkheid van het model en extra contact kreeg met het wezen achter het gezicht, oftewel de ziel. Zo voelde ik dat. Van de portretten maakte ik een kopie die ik aan ze gaf, het origineel hield ik zelf. Zo heb ik +/- 269 portretjes gemaakt, de ene beter dan de andere. Maar voor mij en deze jongeren ging het niet om goed of slecht, maar om het moment.

De ama’s zaten tijdelijk op deze school. Het was een doorgangspunt. Ze verbleven ongeveer drie maanden in het opvangcentrum om na deze tijd overgeplaatst te worden naar een asielzoekerscentrum elders in het land. Dat betekende dat ik ze meestal nooit meer zag, een enkeling daargelaten die het geluk had in de buurt naar een opvangcentrum  te zijn gegaan en nog af en toe op school langs kwam. Tot mijn verbazing bleken zij in korte tijd Nederlands te hebben leren spreken. Na ongeveer vier jaar werd vanuit de landelijke politiek besloten de jongeren niet meer in de Randstad op te vangen maar in het oosten van het land. De school werd opgedoekt. Zo raakte ik mijn baan kwijt en mijn inspiratiebronnen…

In 2003 zijn mijn portrettekeningen en sommige tekeningen van de ama’s zelf, geëxposeerd in de bibliotheek van Leiden.

Guo Shun

Nu, tien jaar later, vraag ik mij af wat er is gebeurd met deze jongeren die allemaal op zoek waren naar een veilige plek in de wereld, in Nederland. Zouden ze een plaats in de maatschappij hebben gevonden? Of zijn ze de illegaliteit in gegaan? Of uitgezet? Of in een ander land asiel aangevraagd. Om antwoorden te krijgen op deze vragen ga ik, als onderdeel van mijn project, op zoek naar deze jongeren.

Ik hoop op mooie verhalen.